Hoe heurt het eigenlijk? (Deel II)

 

 

Een tijd geleden heb ik aandacht geschonken aan de wijze waarop een bestuurder van een vennootschap zich dient te gedragen als hij in die hoedanigheid een besluit wil nemen dat in zijn eigen belang is en (mogelijk) strijdig met het belang van de vennootschap. Ik verwijs kortheidshalve naar dat stuk (klik hier). 

 

De basisgedachte is in dat geval, dat de bestuurder zijn tegenstrijdig belang meldt aan de algemene vergadering van aandeelhouders, voor wie hij immers de ondernemingsactiviteiten van de vennootschap beheert. Je zou kunnen spreken van een (goed te volgen) « norm van goed fatsoen».

 

Er is echter nog een andere fatsoensnorm verweven in de wet. Wat immers als er meerdere aandeelhouders zijn, waarvan één aandeelhouder een overgroot deel van de aandelen in eigendom heeft, terwijl de andere aandeelhouder een (aanzienlijk) minderheidsbelang heeft. Kan de groot-aandeelhouder dan in de AVA alleen zijn eigen belang dienen en hoeft hij geen rekening te houden met de minderheidsaandeelhouder? Of is er een regel die dat verbiedt?

 

Aandeelhoudersbelang:

In de jurisprudentie is uitgemaakt, dat een aandeelhouder zich mag richten op zijn eigen belang. Dat houdt in, dat de aandeelhouder zich ten opzichte van de vennootschap in principe niet hoeft te laten leiden door het belang van de vennootschap. Dat wordt pas anders, als de aandeelhouder de evidente belangen van anderen op een onrechtmatige wijze schaadt. Daarvoor is noodzakelijk, dat de aandeelhouder zich onredelijk en onbillijk gedraagt, door – ik parafraseer – de belangen van de minderheidsaandeelhouder te negeren en ondanks de afhankelijkheidspositie waarin de minderheidsaandeelhouder verkeert, die belangen van de minderheidsaandeelhouder niet beoogt mee te wegen of zelfs te overrulen.

 

Uiteraard is dit geen “zwart/wit” feitencomplex. Het spanningsveld is dan steeds geschaard rond de vraag: welke belangen van de minderheidsaandeelhouder zijn bij de groot-aandeelhouder bekend, en wanneer moet de groot-aandeelhouder die belangen zuiver of gedeeltelijk laten prevaleren boven zijn eigen belang. De voorbeelden zijn legio. Zo is geoordeeld dat het bewust verwateren van het aandelenbelang van de minderheidsaandeelhouder mogelijk onrechtmatig is, maar het verplicht verder investeren ten gunste van het voortbestaan en/of de groeikansen van de onderneming met als gevolg: verwatering van  het belang van de minderheidsaandeelhouder niet. Groot-aandeelhouders kunnen ook in strijd handelen met de redelijkheid en billijkheid als zij bijvoorbeeld contracten laten toekennen aan zichzelf als dit tot benadeling van de minderheidsaandeelhouder lijdt. Ook samenspel tussen twee of meer aandeelhouders dat tot gevolg heeft dat een derde aandeelhouder hierdoor schade lijdt – door bijvoorbeeld in meerderheid te besluiten géén dividend uit te keren, daar waar die aandeelhouder dat nodig heeft – is in het verleden beoordeeld als zijnde in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het verschil is veelal subtiel. 

 

Wat te doen als het “zo niet heurt”?

Als de belangen van een minderheidsaandeelhouder worden geschonden, dan kan worden getwijfeld aan het gevoerde beleid binnen de vennootschap. Dat beleid kan door de Ondernemingskamer worden getoetst. De Ondernemingskamer is onderdeel van het Hof Amsterdam die zich uitsluitend richt op geschillen die plaatshebben tussen de organen of onderdelen van de organen van een vennootschap. Dat houdt in, dat zij zich bijvoorbeeld richt op geschillen die spelen tussen het bestuur en de aandeelhouder(s), aandeelhouders onderling, de OR en het bestuur, etc. 

De Ondernemingskamer kan in een voorkomend geval in het kader van een zogenaamde “enquête procedure” een besluit tegen houden, terugdraaien of – bijvoorbeeld – een bestuurder benoemen of ontslaan die een bepaald besluit wel of niet wenst uit te voeren. De mogelijkheden van de Ondernemingskamer zijn groot. 

De werkwijze van de Ondernemingskamer is heel pragmatisch. Eerst onderzoekt de Ondernemingskamer de vraag óf er sprake is van redenen om te twijfelen aan een juist beleid. De Ondernemingskamer kan dan, bij wijze van een voorlopige voorziening, tussentijds, tijdelijke maatregelen nemen. En als van het vermoeden van een onjuist beleid is gebleken, zal de Ondernemingskamer een nader onderzoek gelasten. Daarbij laat de Ondernemingskamer zich bijstaan door een groot scala aan deskundigen, afhankelijk van de problematiek die zich voor doet. Immers: veel problemen en conflicten worden weliswaar op juridische basis uitgevochten, maar vinden hun grondslag op andere vlakken. De Ondernemingskamer bestaat (daarom) niet alleen uit juristen, maar ook uit rechters met andere achtergrond, zoals accountants en bedrijfskundigen. De kijk van de Ondernemingskamer is daardoor véél breder dan de sec juridische. 

 

Aanbeveling:

Ook als het gaat om het afdwingen van gedragsregels, gelden gedragsregels. De klager moet zich immers ook redelijk en billijk opstellen ten opzichte van de andere partij. Hij moet het overleg hebben gezocht, mogelijke regelingen hebben onderzocht en de belangen van de groot-aandeelhouder afzetten tegen het eigen belang wil hij de Ondernemingskamer aan zijn zijde willen vinden. Het voortraject, de tijd voor de procedure, is dus zeer belangrijk en verdient vaak (veel) meer aandacht dan zij vaak krijgt. Het komt regelmatig voor, dat zaken spaak lopen op het voortraject, en niet zozeer om de feiten van het beleid zelf. Het verdient daarom aanbeveling om tijdig met een oplossingsgerichte advocaat te overleggen. Pas als geprocedeerd moet worden, moet de zaak hard worden gespeeld. Voordien verdient het de voorkeur om te zoeken naar oplossingen.            

 

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload

Uitgelichte berichten

Wat is nodig voor een goed werkend concurrentiebeding ?

6 Oct 2016

1/1
Please reload

Recente berichten
Please reload

Archief
Please reload

Zoeken op tags
Please reload

Volg ons
  • Facebook - Black Circle
  • Twitter - Black Circle
  • LinkedIn - Black Circle